Franjestaart - Myotis nattereri (Kuhl, 1817)


Uiterlijk

De franjestaart is middelgrote vleermuis met een gewicht van 5-12 gram, relatief brede vleugels en een spanwijdte van 23-28 cm. Net als alle Myotis-soorten heeft de franjestaart een duidelijk kleurverschil tussen buik- en rugvacht. De buikvacht is helder wit tot grijswit en de donkerdere rugvacht is grijsbruin. De franjestaart is te herkennen aan de vrij lange, licht doorschijnende oren die aan het uiteinde een beetje omhoog buigen (schoenlepelvorm). De tragus is lang en spits en reikt tot de helft van het oor. Een belangrijk determinatiekenmerk is het S-vormig spoorbeen. De franjestaart dankt zijn naam aan de twee rijen borstelharen op de onderrand van de vlieghuid van de staart.



Biotoop en jachtgedrag

Over het jachtbiotoop van de franjestaart is nog relatief weinig bekend. Waarnemingen van jagende franjestaarten zijn bekend van bosrijke gebieden met waterpartijen of waterrijke gedeelten. Daarbij jaagt de franjestaart meestal in een besloten omgeving zoals in en tussen de boomkronen en tussen de takken van grote struiken. Soms jagen franjestaarten ook wel boven open water en boven begroeide oevers. Recent is duidelijk geworden dat franjestaarten ook wel boven en langs kleinschalige weilanden of akkers jagen en in open veestallen. Tijdens het jagen vliegen franjestaarten meestal zeer langzaam en zijn ze zeer wendbaar. Een belangrijke jachttechniek is het van bladeren en muren afpikken van insecten zoals vliegen en rupsen. Ook zijn ze in staat om spinnen met hun achterpoten uit het web te plukken zonder daarbij zelf het web te raken.

Franjestaarten wonen in de zomer soms op zolders. Naast uitwerpselen kunnen hier ook dode jonge dieren gevonden worden.



Verspreiding

De franjestaart is in Nederland tamelijk zeldzaam. De franjestaart is vooral aan bosrijke omgeving en kleinschalig landschap gebonden en kan in dergelijke gebieden weer vrij algemeen zijn. Doordat de soort met de batdetector moeilijk van andere Myotissoorten is te onderscheiden is er nog veel onbekend over de precieze verspreiding in de zomer. Tot nu toe is de soort vooral in het oosten. midden en zuidoosten van Nederland gevonden.



Verblijfplaatsen

Kolonies zijn in Nederland vooral gevonden in bomen en recent ook in gebouwen (spleetvormige ruimten en zolders van kerken en boerderijen). Heel soms ook in nestkasten en vleermuiskasten.

Kraamkolonies bestaan gemiddeld uit 20-80 dieren en gebruiken een cluster van meerdere verblijfplaatsen in een klein gebied. Franjestaarten verhuizen regelmatig tussen deze verblijfplaatsen waarbij groepen zich vaak opsplitsen en hergroeperen. Er is nog maar weinig bekend van het landschapsgebruik van de franjestaart. Toch lijken lijnvormige elementen als lanen, bosranden, bomenrijen, houtwallen en oeverbegroeiing van belang als oriëntatielijnen tijdens het vliegen tussen verblijfplaats en jachtgebied.

In Nederland gebruiken franjestaarten vooral ondergrondse ruimten zoals groeven, forten, ijskelders en bunkers als winterverblijfplaats. Daarbij kruipen ze meestal diep weg in scheuren en kieren. De franjestaart is een standsoort die meestal minder dan 60 km aflegt tussen zomer- en winterverblijfplaatsen.



Bron:

Lange R., Twisk, P., Winden, A. van, Diepenbeek, A. van (red.). Zoogdieren van West-Europa. - KNNV, VZZ, 1994. - p. 52-53.

H.J.G.A. Limpens, K. Mostert, W. Bongers (red.). Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. - KNNV, 1997. - p. 91-100.

W. Schober, Eckhard Grimmberger ; Peter Lina (vert. en bewerk.). Gids van de Vleermuizen van Europa. - Tirion, 2001. - p.133-136.


www.vleermuis.net


Bewerking: Erik Korsten